Waarom een idioomboek?

Welke manieren zijn er om een woordenschat op te bouwen?
De twee belangrijkste methodieken voor woordverwerving zijn de incidentele werkwijze en de intentionele werkwijze. Wat wordt hiermee bedoeld?

De incidentele of impliciete wijze van woordenschatverwerving houdt in dat woordbetekenissen min of meer toevallig aan de orde komen, bijvoorbeeld bij het lezen en luisteren. Moedertaalsprekers leren de woorden van hun taal vooral incidenteel.

De intentionele of expliciete wijze van woordenschatverwerving is een vorm van woordenschatonderwijs waarbij doelbewust en gestructureerd wordt gewerkt aan het uitbreiden en herhalen van de woordenschat.

Intentionele aanpak nodig
Men is het er steeds meer over eens dat incidenteel leren moet worden aangevuld met intentioneel leren. Hier volgen enkele citaten uit het vakblad Levende Talen ter ondersteuning van het standpunt dat de intentionele aanpak onmisbaar is voor een effectieve uitbreiding en herhaling van de woordenschat.

1
“Ik heb stelling genomen tegen bepaalde ideeën over leesvaardigheidstraining die al sinds jaren vanuit een bepaalde hoek gepropageerd worden. De stelling blijft dezelfde: Efficiënte training in leesvaardigheid is niet mogelijk zonder een adequate woordenschat en deze woordenschat kan niet verworven worden door met behulp van compensatorische strategieën veel authentiek materiaal te lezen.” (P. Groot, Levende Talen, februari, 2002)
2
“Wel is cruciaal dat de fase van incidentele vocabulaireverwerving gevolgd wordt door een fase waarin intentionele vocabulaireverwerving een rol speelt: het eigenlijke inprenten van de woorden.” (B. Laufer, Levende Talen, december. 2007)
3
“Leerlingen alleen maar veel teksten laten lezen of films laten zien (“kilometers maken”) is geen efficiënte manier van woordenschatuitbreiding, om twee redenen: de meeste leerlingen doen geen moeite om de betekenis van nieuwe woorden op te zoeken en de meeste nieuwe woorden keren niet regelmatig terug. Er is alles voor te zeggen om woorden herhaald te laten stampen in minimale context, dat wil zeggen in context van losse zinnetjes.(J.Hulstijn, Levende Talen Magazine, oktober, 2012)
4
“Een flinke woordenschat is een onmisbare basis. Veel lezen helpt om die op te bouwen, maar gegeven de beschikbare lestijd is het erg nuttig ook nog systematisch aan uitbreiding en onderhoud te laten werken.” (G. Westhoff, Levende Talen Magazine, mei 2012)

Hoe kan de systematische uitbreiding van de woordenschat gerealiseerd worden?
De basis van een optimale woordenschatverwerving is: herhaling. Vooral in de laatste twee klassen ontstaat er behoefte om met het oog op het eindexamen de woordenschat van de voorafgaande jaren systematisch te herhalen. Dit kan niet met de leergang omdat de woordenschat verspreid staat over meerdere delen. En ook al zou men de woordenschat van het laatste deel willen herhalen, dan kan dat vaak alleen via een verzamellijst met losse woorden achterin het boek. Voor het herhalen van de cumulatieve woordenschat is daarom een boek nodig dat een voldoende groot vocabulaire in contextzinnen aanbiedt en bij voorkeur thematisch is geordend. Zo’n boek wordt gewoonlijk een idioomboek of vocabulaireboek genoemd.

Leerlingen over woorden leren
Over het leren van woorden komen bij uitzondering twee leerlingen aan het woord. in het artikel Als ik leraar was …(Levende Talen, april 1998) Zo zegt Janneke:

“Woordenschat vind ik heel belangrijk. Bij ons doen ze nu heel weinig aan woordjes. Als je een tekst leest, gaan ze ervan uit dat je de woorden kent. ” Deze leerling zegt verder dat het beter is als ze onbekende woorden moet leren en als daarover wordt “overhoord“.
Verder zegt zij nog dat “woordenschat heel belangrijk is om de taal te kunnen spreken”.

Kenny zegt: “Woordjes leren is misschien wel het belangrijkst. We krijgen nu bijvoorbeeld repetities en schriftelijke overhoringen uit een idioomboek – dat zou ik zeker zo laten. Het is wel saai maar je zit niet op school om het de hele dag naar je zin te hebben“.

In TROUW van 27 mei 2008 zegt eindexamenkandidate vmbo Stephanie:
“Ik had op het eind nog maar drie minuten over. Ik moest veel woorden opzoeken. Dat kost allemaal tijd.” Stephanie vindt dat ze niet goed is voorbereid op het examen. “Met Engels hebben we de laatste tijd niet zoveel gedaan. Geen woordjes stampen of grammatica leren. We lazen bijna alleen maar teksten”.